Zie ook: www.johandeboose.wix.com/johandeboose

maandag 29 december 2008

Midden in het woord...

Midden in het woord wakker geschud worden. Het uitspreken van een woord als het maken van een reis. Het woord zien als een teken in een ander alfabet, dat je net hebt geleerd. De meeste woorden vermijden als ze te exact iets bedoelen. Het woord gebruiken als springschans, het gevaar meegeteld. Het woord niet zien als het begin van een oorlog, maar als vervanging ervan. Van het woord afzien als het niet meer is dan een blinde vlek. Het woord weigeren als het begin en eind wil zijn. Het woord niet kunnen aanbidden zonder het te verachten. Het woord zien als een teken in een ander alfabet, dat je helemaal niet kent. 

donderdag 18 december 2008

Over utopie

Poëzie heeft vele armen. Er zou een vangarm naar het schoonheidsideaal kunnen leiden. Niet de vulgaire dwingelandij in de vorm van propaganda voor anorexia, waar veel reclameboodschappen op lijken, maar de utopie die misschien wel groter is dan de som van alle idealen die wij bij elkaar dromen. Na de verbrokkeling van ideologie en godsdienst - maar wie weet slaagt een gestoorde geest er ooit nog wel in om met die brokstukken een nieuwe kathedraal te bouwen, met alle desastreuze gevolgen vandien - is de poëzie (vergeten, jawel, maar niet dood) het nieuwe streven. Ik bezocht ooit plaatsen waar verschillende valwinden tegen elkaar opbotsen en een draaikolk van lucht teweegbrengen. In het oog van die kolk heerst betrekkelijke rust, al blijft het uitkijken. Laten we de hierboven beschreven poëzie noemen: een draaikolk van utopieën. Is er menselijk leven mogelijk in het oog van een storm? Die vraagt klinkt als: is er leven mogelijk in de hut van Chaplin, die half boven een afgrond hangt terwijl de clown vrolijk heen en weer loopt? We hebben niet te kiezen. De poëzie is een zwak maar waardevol reddingsmiddel.

zondag 14 december 2008

Uit: DE VRIJHEID VAN ZWIJGEN (2)

'Demonen genoeg, ze lasteren,
zetten de wereld stil, dwingen me
hun woorden neer te schrijven.
Ik denk dat ik gehoorzaam.

Ze zeggen, iedereen wil iedereen
dood, vergeet de boeken
en de boodschap, vergeet
de rozen als het huis brandt.

Ze zeggen, wat je zeker weet
bestaat niet meer, begraaf
je geld, je god, je ziel,
je oudemannenjas.

Ze wenken, wroeten in mijn
denken, zwaaien met hun kont.
Onder hun plunje glinstert
een appelvormig springtuig.

Ze zeggen, het is zo voorbij,
het is niet moeilijk om de wereld
te verbeteren. En ze spelen, wikkelen
de dikke lont om witte vingers.

Ik, die over geuren wilde schrijven,
over weegbree en koningskruid,
over oude meesters en zinnepoppen,
ik schrijf de taal van schoften.'

(Deze bundel is genomineerd voor de Herman de Coninckprijs 2009)

zaterdag 13 december 2008

Uit: DE VRIJHEID VAN ZWIJGEN

Het is verboden land, omdijkt
Met vrees.

We komen in de schemer aan
Als afgedreven,
Niemand wacht ons op.

We slapen op de wal,
Laten brood en laarzen achter,
Verliezen onze naam.

Die lange nacht dromen we
Van iemands hand die
Koorts koelt of die wurgt.

Morgen – met de jonge kraaien,
Morgen – naakter dan de eerste mens,
Morgen zetten we de angst tussen haken.

We zullen smeken, maar het is te laat.

We zullen lopen op verboden wegen
Door de brandlucht en de nevel
Naar het plankenhuis vol bokkenvlees en zuurdeeg.

We zullen waken bij de muur vol
Kogelgaten van de laatste oorlog,

Bij het raam waarachter iemand zwaait
Met de besterde Europese vlag,

Of met een geladen buks.

("De vrijheid van zwijgen" is een dichtbundel die werd uitgegeven door het Poeziecentrum Gent in januari 2008. Deze bundel is op 11 december 2008 genomineerd voor de Herman de Coninck-prijs. Uitreiking op gedichtendag 2009.)

zondag 16 november 2008

Blaam verplicht

In Somalië deed een meisje van dertien aangifte bij de politie van een viervoudige verkrachting. Ze werd gearresteerd en ter dood veroordeeld voor overspel. Men begroef haar tot aan haar nek in het zand en stenigde haar dood. Toen ze werd uitgegraven, bleek ze nog te leven. Men groef haar opnieuw in en bleef met stenen gooien tot ze helemaal dood was. De vernedering, de pijn, de totale verbijstering en de primairste en imbecielste lust, dierlijke waanzin. Soms vraagt men een dichter: ‘Kun je daarover schrijven?’ Ja zeggen is verwaand. Nee zeggen is indolent. De schouders ophalen is het tegendeel van liefde. Maar blaam verplicht.

vrijdag 14 november 2008

Echo's van gesprekken in Brussel, Luik, Ramallah en Jeruzalem

Harde, vermoeiende, laaiende gesprekken met enkele Palestijnse auteurs in Brussel over: waar bevinden we ons, wie zijn we, wat bindt of scheidt ons? Een hoog poëziegehalte. Echo’s: ‘Ik was in Sarajevo, Leningrad, Ieper, de States, de Kaukasus, Israël.’ - ‘En Palestina?’ - ‘Palestina bestaat niet. Palestina is een uitvinding.’ Ik denk aan andere uitvindingen: de Balkan, Afrika, België. Iemand vraagt: ‘In vredesnaam, waar ben ik?’ Iemand anders zegt: ‘Jezus was de eerste Palestijn.’ Ik hoor weer het gesnor van vliegers, gemaakt van kleurrijke papiersnippers, boven Ramallah. Ik hoor getoeter in de enige stad ter wereld zonder MacDonald’s. Iemand zegt: ‘Ik slaap niet. Ik kan niet slapen. Slapen is een deel van de schuld.’ Wie slaapt wordt gewekt door de muezzin die de shahadah herhaalt. Ik hoor zijn echo tegen de heuvels, tegen vijandige muren van hagelwitte kolonies. Iemand zegt: ‘Mijn rijk is gebouwd op de hardste steensoort, genaamd Angst.’ Ik herinner me: hoe ik struikelde over vergeten liefdes, gebroken beloften, late spijt. Hoe ik doolde door steden, Hebron, Jeruzalem, Bethlehem, steden waar mijn hart allang wilde wonen, steden die allang in mij woonden, steden die zonder mij onvolledig waren, steden zonder wie ik onvolkomen was. Ik herinner me dat ik ze rook. Ik juich: ‘Ik ruik Jeruzalem!’ - ‘Wie Jeruzalem ruikt, voelt zich gerust.’ Toen ik Jeruzalem rook, was ik gerust.
(met dank aan Nathalie, Najwan, Walid, Thomas, Kenan en Isabelle)

maandag 22 september 2008

Bericht uit Pula, Kroatië

Ouder worden betekent: meer en meer de in puin gevallen zekerheden uit het verleden niet tot nieuwe zekerheden kunnen herbouwen.
Ik reis door Kroatië, steek grenzen over (naar Slovenië, Italië, Bosnië-Hercegovina, Servië en Hongarije) en word steeds opnieuw hiermee geconfronteerd. Dit is de gebroken spiegel van Europa. Ik jaag op schimmen, ik graaf de lijken op. Iemand moet het doen.

zondag 17 augustus 2008

Bericht vanaf de Atlantische Oceaan

Ik kan alleen aarden in een grensgebied. Er moet altijd een grens in de buurt zijn. Dat heeft natuurlijk te maken met mijn Belgische afkomst. Grenzen stoten me af, maar ze moeten altijd vlakbij zijn. Ze bepalen mijn chaotische identiteit, dat wil zeggen ze weigeren me mijn identiteit te beperken tot wat dan ook, ze zijn het tegendeel van begrenzing. Grenzen vragen om hun eigen opheffing, ze dienen om geschonden te worden. Alle problemen die met grenzen samenhangen, moeten worden beschouwd als iets existentieels: de mens leeft zijn hele (korte) leven in een grensgebied (tussen niets en niets): een kier van licht tussen twee eeuwigheden van duisternis, zoals Nabokov schrijft op de eerste pagina van zijn autobiografie Geheugen, spreek! Grenzen voeden evenzeer passie als relativering.

zaterdag 16 augustus 2008

Bericht uit Manhattan, New York

Europe:
Nostalgia, the historical downtown is really historical.
Today I was the only black man on the bus.
Could we please have some Europe in America finally?

Difference, no indifference.

America:
Speak, then think, what about poets, who first write and then think.
Today I was the only white man on the bus.
Could we please have some America in Europe finally?

Is there any indifference?

vrijdag 15 augustus 2008

Bericht uit Queens, New York

Het dubbele gezicht, de januskop: je wilt tegelijkertijd strijdige dingen. Vanaf het dak van Empire State Building kijk ik naar het reusachtige gebit van de stad: er ontbreken twee kiezen. Boren en hijskranen van de onzichtbare tandarts bewerken Ground Zero, de nulde grond. Ramp en poëzie reiken elkaar de hand. Is dit land het einde of het begin? Opnieuw is het geen of-of. Godsdiensten, pedagogen, politici, tv-kijkers doen alsof. Toen mensen uit het WTC sprongen, viel er kleingeld uit hun zakken. Vermoedelijk is dit detail de kern. Ik omhels Wislawa Szymborska, die hierover een gedicht schreef, hoewel ze een hekel heeft aan politiek. Een hekel hebben aan politiek is poëzie. Poëzie is daarom de meest politieke houding die er bestaat.

dinsdag 5 augustus 2008

Bericht uit Moab (Utah)

Vanochtend struilt de dooiende rivier uit de Sangre-de-Cristobergen recht naar het zuiden. Ik wacht haar op. Zij voedt het dal met tonnen water en trekt een spoor van slib, dat later, vanmiddag, onder de brandende zon, verandert in ribbels en stof: de uitgedroogde hand van de bejaarde aarde. Nog later komen wervelwinden het zand ophopen tot hoge witte duinen. Het is heet tot in oktober, schorpioenen en reuzenhagedissen jagen de herten op. Op de grootste hoogvlakte ter wereld raken alle elementen, die door de oerknal in een perpetuum mobile zijn gebracht, elkaar - de seizoenen figureren als de vier temperamenten. Ik wacht tot zij nieuw leven voortbrengen. Geen gloed is te heet, geen hagel te hard, de sneeuw en het rulle zand verbranden gelijkmatig je voeten. De kroon op het werk is de dondersteen, mijn geliefkoosde ramp, mooier dan alle andere (mijn vader noemde hem fulguriet): de bliksem slaat in in het zand en maakt buizen van glas, het meest feilloze, met de lengte van een zwaard en de holte van een schede, tegelijk mannelijk en vrouwelijk. Wie is 's avonds moe? De aarde of ik? Mijn deken is de koude in het midden van een zomernacht. 

vrijdag 1 augustus 2008

Bericht uit Durango (Colorado) (2)

Een deel van mijn leven speelt zich af in de eeuwigheid. Hoezeer men mij ook kooit, die vrijheid pakken ze me niet af. Het is de smaak van de nocturne, onder de voorwaarde dat de hele wereld slaapt, en ik voeg me bij waakhonden, motten en wasberen op een patio onder een bruine lamp in een Amerikaanse provinciestad met een sixpack Pinstripe en een halve pint whisky, en het gelukzalige licht van de Melkweg boven de besneeuwde berggraat stelt me gerust. Vergeet de oorlogen, de leugens, de afgronden. Op straat laten de cups met hun argusogen me eindelijk met rust. Misschien schrijf ik gedichten, of ik droom van de billen van de cowgirl in de snookerbar, of ik luister naar de aanrollende donder.

maandag 28 juli 2008

Bericht uit Durango, Colorado

Ik woon op de Vierhoek en hou van indianen en hete chili. Rondom de prairie, hongerige wasberen, tarantula's, rotsen die ik lees: tafels, laarzen, demoiselles. Aan de horizon de Vuile-Duivelsrivier, tamarisken, yucca's, een ezelspoor, een houten huis dat geruststelt: Jezus leeft. Soms begrijpt een mens pas dagen of eeuwen later wat hem overkwam. Hij slaat het stof van zijn dode blote voeten en lacht. Op de rode tafelberg  danst iemand: nee, hij wuift me toe en verplaatst zich dwarrelend als een katoenblad duizend voet lager, want ook daar leeft Jezus. Uit verre canyons die dwars door de oceanen lopen, klinken liederen vol haat en het geklik van springtuigen vlak voor ze springen.  Waarvan hou ik, behalve van Big Mama's hete chili en gouden dijen, nog meer? Van elke vezel, elke porie van de prairie, die ademt terwijl overal de oorlog woedt. 'Welke oorlog?' vraagt een stel op een bank in Santa-Ritapark. Als straks de oorlog uitbreekt, de echte, zullen zij nietsvermoedend de liefde bedrijven en liefhebbend echoend glimlachend tienduizend voet lager vallen of sissen als een pan vol cheddar, en ik zal in een flits de delta van Big Mama's bronzen billen voor me zien. Ik kan haast niet wachten...
Maar zwijg, ik sta nog op de Vierhoek, in het Dode-Paardendal,met het vuur van de chili in mijn mond en met een hoed tegen de donder, en ik drink Big Mama's zoute tequila en ik luister naar het slissen van haar tong die vloekt en zingt en zegent.

zaterdag 28 juni 2008

Bericht uit Ramallah

Ik hou van de wereld in zijn ruwere vorm. Het is niet altijd zo dat er onder de glans van beschaving alleen maar wreedheid te vinden is. Beschaving is niet alleen maar de camouflage van barbaarsheid. Ik ga terug naar het woestijnzand waar onze beschaving begon. Ik probeer de wereld te zien zoals hij is in zijn meest elementaire bestanddelen. Het is gevaarlijk, ja, maar het is noodzakelijk om iets te begrijpen van de oorspronkelijke poëzie. Zoals ik ooit huilde bij het zien van de berg schoenen, tanden en haren in Auschwitz, zo huil ik nu in de moskee van Hebron, waar tientallen Israelische soldaten met hun laarzen aan komen kijken hoezeer de wereld van hén is.
Dit is een shock: een Israelische soldaat, die het op een onmenselijke manier in checkpoints verdeelde hart van Hebron helpt bewaken, schudt de hand van een Palestijnse winkelier en zegt hoe erg hij de joodse kolonisten vindt. Poëzie is de absolute onbegrijpelijkheid. Hoe kan ik ooit in staat zijn om deze vorm van oerinstincten te begrijpen? Het doet me denken aan de verhalen van mijn grootvader, verhalen uit de Eerste Wereldoorlog: soldaten van vijandige kampen zaten met elkaar te kaarten tussen de slachtpartijen door.
Ik houd een lezing in Ramallah, de virtuele hoofdstad van een virtueel Palestina. Mijn gedichten over oorlog, gemaakt in Oost-Europa (met name over de restanten van de Tweede Wereldoorog, maar ook over de Balkanoorlog), zijn wonderlijk genoeg probleemloos toe te passen op de huidige situatie in het Midden Oosten. Het grote verschil is: het bloed in het Midden Oosten is nog nat.

dinsdag 17 juni 2008

Bericht uit Istanbul

Istanbul, parel aan de Gastvrije of Zwarte Zee, verrijst op de oever van de Bosporus. Mijn kale gids is de poëzieminnende Seltsjoek, zijn chauffeur heet Ali Baba (echt waar!). De geuren van de hitte, van visserssloepen, van schoenen voor de deur van een moskee, de fallische minaretten, de eindeloze koepels, rennende kinderen in de Blauwe Moskee, hoe de Aya Sofia meer een tempel is dan iets anders, de weerspiegelingen van de lampjes in het water van de cisternen, een ingepakte vrouw, die alleen haar ogen vrij houdt, haar erotische blik. Iemand drukt me de hand op de hoogste heuvel, waar vuurwerk ter ere van Ata Turk wordt afgestoken, en heet me welkom. Hij vertegenwoordigt een volk dat nooit zijn kop in het zand hoefde te steken, nooit het onderspit moest delven. Ik drink appelthee en raki. Ik ontmoet de schaduw van Agatha Christie in het galmende restaurant van de Orient Express.
Seltsjoeks grootmoeder droeg een boerka, zijn moeder droeg een hoofddoek, zijn zus draagt een minirok. In het buitenland, vertelt Seltsjoek, zijn de moslima’s geneigd om zich meer te profileren. Hier speelt het profileren geen rol, al zijn er natuurlijk wijken waar er meer sluiers te zien zijn dan gezichten.
De genius loci is hier meer dan elders aanwezig. Alle lijnen van de geschiedenis, die mijn gedachten kunnen vatten, kruisen elkaar hier. Drie werelden vallen samen: het heilige heidendom van de antieken, de rabiate revolutie van het christendom, de heerszucht van de islam. In deze moderniteit, waarin de coëxistentie van verschillende, voormalige aartsvijandige culturen tegelijkertijd de grootste evidentie én het grootste probleem is geworden, bewijst een stad als Istanbul dat alles mogelijk is.

zondag 8 juni 2008

Gelezen bij David Grossman (tijdens voorbereiding reis naar Palestina en Israël)

'Als we erin slagen de tekst van de werkelijkheid te lezen in de ogen van de vijand, wordt de werkelijkheid waarin wij en onze vijand leven en handelen plotseling gecompliceerder, werkelijker; we kunnen dan met terugwerkende kracht profiteren van delen die buiten ons wereldbeeld vielen. Vanaf dat moment is de werkelijkheid niet meer alleen de projectie van onze angsten en wensen en illusies: als we in staat zijn ook het verhaal van de ander te zien, door zijn eigen ogen, komen we op een gezondere en geldiger manier in aanraking met de feiten, en dan zijn onze kansen om noodlottige vergissingen, een egocentrische, krampachtige, beperkte voorstelling van zaken te vermijden ook aanzienlijk groter.
Dan kunnen we misschien soms ook beseffen - op een manier die we onszelf niet eerder hebben toegestaan - dat die mythologische, bedreigende en demonische vijand niets anders is dan een geheel van net zulke bange, gekwelde en wanhopige mensen als wij. Dit besef vormt in mijn ogen het noodzakelijke begin van elk proces van ontnuchtering en verzoening.'

vrijdag 6 juni 2008

Voor een nieuw literair project zoek ik informatie over Stalingrad, de Vlaamse oostfrontstrijders en de Russische veteranen die nog in leven zijn. Gelieve me te contacteren door op dit bericht te antwoorden.
For a new literary project I am looking for information about Stalingrad, the Flemish soldiers on the Eastern front and the Russian veterans who are still alive. Please contact me by replying on this message.
Pour un nouveau project littéraire je cherche des informations sur Stalingrad, les soldats flamands dans le front de l'est et les vétérans russes qui sont encore vivants. S.v.p. contactez-moi par répondre sur ce message.
Для нового литературного проекта я ищу информации о Сталинграде, о фламандских солдатах в Советскот Союзе и о русских ветеранах которые ещё живут в Волгограде. Пожалуйста вступить в контакт со мной.

dinsdag 3 juni 2008

Bericht uit Odessa

In Odessa vloeien alle landen samen. Odessa is alles wat ik zoek: tegelijk antiek en bruisend, modern, kosmopolitisch; door en door Slavisch, maar evenzeer Europees, joods, Oosters, Grieks; tegelijk heel oud en heel jong; gettoblasters en loeiharde rockconcerten, maar ook Italiaanse opera en een schrijver op elke hoek van de straat; kranige oude vrouwen en jonge verleidsters; een traditie van banditisme, maar banditisme met een beleefdheidscode en met elegantie; opera en cabaret; revolutionairen en behoudsgezinden; muitende matrozen en trotse tsarina’s; melkboeren uit de kolchozen van de steppe op de oever van de limans, maar ook de chicste boetieks; fier, oorverdovend klokgelui, maar ook bruiloften in krochten onder eeuwenoude, wonderen brengende iconen; Tsjernihivske bier, maar ook droge champagne, gemaakt van druiven op de eeuwig zonnige vlakte. Het is een stad waarin ik op elk moment van haar geschiedenis als een gretige zwerver even zou willen verblijven, om haar telkens met pijn in het hart te verlaten. Van alle steden in de Oost-Slavische wereld is dit de mooiste. Alleen Sint-Petersburg is een geduchte concurrent, maar Odessa is minder behaagziek en vooral veel warmer. Anatoli, rond als een chef-kok uit een Brussels restaurant, is een geboren Odessiet en spreekt vloeiend Italiaans, omdat hij vaak in Italië kwam, maar de poëzie van Odessa gaat voor hem zelfs boven elke Italiaanse stad. Zijn buik is zo rond als die van de sprookjesdichter Ivan Krylov.

donderdag 29 mei 2008

Bericht uit Roemenië

Tulcea ruikt naar olijven en honden. De Donau stort zich in de Zwarte Zee, gadegeslagen door sigarettenrokende loodsen en beemden vol ooievaars. Ata Turk bewaakt de fonteinen. Honderden kinderen leren fietsen op het stoffige plein onder het oog van bronzen doden. Het onduidelijke geschal vanaf de moskeeën. Een pater bungelt aan de touwen van een orthodoxe kerk, breed glimlachend en zwetend als een dokwerker. Gemompel en geprevel in de synagoge.

maandag 26 mei 2008

Berichten uit de Krim (2)

De onnavolgbare kitsch van het orkest van de sovjetmarine, in al zijn glorie te bewonderen in een aftands theatertje in Sebastopol, tussen de monumenten van eeuwenlange oorlogen: ik hou ervan. Het is paradoxaal, tegelijk ernst en spot. Op de gecraquelleerde glans van de sovjettijd, die de wanden van de zaal weerspiegelt, heeft men een nieuwe lak gespoten, de lak van de ongegeneerde kwetsbaarheid. Kitsch is nooit vrijblijvend. Maar wees voorzichtig! De uitvoerders van de kitsch weten namelijk nog niet welke meester ze dienen. Ze verkeren tot nader order in de waan dat het de ernst is. Als de poëzie ergens een kartelige, vochtige onderkant heeft, dan is het hier.

Berichten uit de Krim

Een lenteavond op het strand van Jalta. Jalta heeft geen strand. Ik loop uren door de steile straatjes, over de kade en de promenade, in de tuin van Anton Tsjechov, die hier zijn laatste vijf levensjaren sleet in een zelf ontworpen prachtig hagelwit huis, en op het strand. Het strand: een betonnen kade, roestige trappen, dikke ronde keien. Het water, dat tegen de dijkjes van de keien slaat, is warm, prikkelend, zout, zacht. Ik smeer er mijn huid mee in. Stenen huizen met houten veranda’s hangen voorovergebogen over de kade. In de straatbars huilt een man door een luidspreker. Een boeddhabeeldje is met veelkeurige rozen behangen. Meisjes met lange naakte benen boven naaldhakken kijken me landerig na. Ik ga zitten op een verweerde trap vlak bij een boot, rood van de roest. De Sport Bar, een uitspanning met veel plastic die als een pier een eind de zee inloopt, lijkt definitief gesloten, sinds vele jaren. De zon valt op mijn gezicht. De zon valt op de witte huizen met oranje daken in de bergen, die boven de stad uittorenen.

zaterdag 24 mei 2008

Berichten vanaf de Zwarte Zee

De Zwarte Zee is, als ik haar voor het eerst bevaar, zo vlak als het land waar ik vandaan kom. ‘s Winters is ze zwart als de tulpen die in de vissersdorpen van Cherson worden gekweekt. Nu, in de vroege, koude lente is ze loodgrijs, ze lijkt zelfs helemaal van lood. Erboven stapelen zich spiralende wolken op. De wind is tegelijk ijzig en heet. Meeuwen vliegen voor de boot uit, alsof hun soort zich heeft voorgenomen om na Odysseus’ omzwervingen geen enkele mens nog zonder begeleiding in dit gevaarlijke deel van de wereld te laten komen.

zaterdag 3 mei 2008

Literatuur = poëzie

Mijn obsessie met grenzen... Als auteur die geboren is in een land waar officieel drie maar officieus driehonderd talen worden gesproken en waar je nietsvermoedend van het ene grensgebied in het andere terechtkomt (België is zo’n beetje de hele wereld, maar dan in het klad), ben ik daar bijzonder gevoelig voor. Het heeft te maken met wat de Estische dichter Uku Masing als volgt heeft geformuleerd: ‘Kleine volken hebben alleen al een bredere horizon omdat ze niet om het bestaan van andere volken heen kunnen.’ Grenzen zoek ik op, zowel om ze af te stappen als om ze te schenden. Ik wil alles weten van de beide kanten. Alle geschillen, al het verdriet, elke verdrongen liefde. Als iemand iets beweert, wil ik ook het tegendeel horen. Het is een van de eigenschappen van de betere opalen dat ze er anders uitzien naarmate je ze in ander licht bekijkt. Zo is het ook met grenzen. Daarom moet je reizen, mag je niet ophouden met reizen, naar de bevriende kant van de grens én naar de vijandige kant van de grens, en al reizend draaien vriendschap en vijandschap om.
Het was een van mijn geliefde Russen, Boris Pasternak (de auteur die bekend werd met Dokter Zjivago, maar die ook een uitmuntend dichter en de beste Russische Shakespeare-vertaler was), die zei dat je tussen literatuur en poëzie een gelijkheidsteken moet plaatsen. Ik hou enorm van die uitspraak. Elke zin die je schrijft beschouwen als poëzie, ook als het geen gedicht is. Wat is poëzie? Poëzie is heel veel, maar onder andere de combinatie van twee dingen: 1° een buitenmatige liefde voor het woord, en 2° het verlangen om tegelijkertijd verschillende standpunten te kunnen innemen.
(Fragment uit de toespraak ter gelegenheid van de Henriette Roland Holst prijs 2008 voor het boek 'De grensganger, reis langs de ruïnes van het IJzeren Gordijn', verschenen bij Meulenhoff/Manteau in 2006)

zondag 27 april 2008

Catastrofisme

Op een toneel dat ijzige kou suggereert, verschijnen drie naakte figuren. Ze bewegen zich in een bevroren, agnostische wereld: de ijstijd lang na de laatste opwarming van de aarde, de ultieme fase van de aardglobe, daarna dooft de zon en zal het weer miljoenen millennia duren voor een amfibie hersens krijgt en stelsels groeien onder een andere brandende ster. Op het toneel staan de laatste mensen. Of de eerste. Ze houden zich bezig met charade, een kinderlijk spel waarbij iemand iets uitbeeldt en een ander moet raden wie of wat het is. Lompen en doden staan op en spreken voor een lege wereld. Ik word op tijd wakker, en een van Szymborska’s recentste gedichten (‘De afschuwelijke droom van een dichter’) schiet door mijn hoofd: ‘Geef toe, dat niets ergers / een dichter kan overkomen. / Waarna er niets beters op zit / dan snel wakker te worden.’ Waarom, goede mevrouw Szymborska, komt zo’n droom dan telkens terug? Sommige mensen behouden de hang naar catastrofisme uit hun jeugd, ook als ze zichtbaar en onherroepelijk ouder worden. De ruïne van het paradijs is aantrekkelijker dan het paradijs. Flaubert: Le bonheur se raconte mal.

zaterdag 26 april 2008

Ik vraag aan de Palestijnse dichter Nazjwan Darwisj, met wie ik voor een Belgisch-Palestijns uitwisselingsproject een tijdlang optrek, welk soort poëzie hij schrijft. We lopen in een drukke Parijse straat. Hij laat me zijn eigen poëziekrant zien, bladzij voor bladzij, van achteren naar voren, helemaal in het Arabisch, dat ik niet kan lezen. We lopen door rood. ‘Bestaan er dan verschillende soorten poëzie?’ antwoordt hij. Ik dacht dat hij op alle slakken zout wilde leggen, omdat hij alles altijd tot in de kleinste details wil kennen, maar nu gedraag ik me alsof ik een kei wil schillen. Zijn vraag houdt me wekenlang in de ban.
Later: ik begin te geloven dat Nazjwan Darwisj gelijk heeft als hij zegt dat er maar één soort poëzie bestaat. Na het lezen van de poetica’s van Eliot, Van Ostaijen, Paz, Milosz, Kis, Heaney… raak ik er meer en meer van overtuigd. Maar het aantal dichters daarentegen is onnoemelijk. Poëzie is wat overblijft nadat je alles hebt weggegooid. Wie poëzie niet kan appreciëren, heeft nooit iets weggegooid. Wie de kunst en de pijn van het weggooien kent, is loslopend wild voor de godin van de poëzie.

donderdag 24 april 2008

Grenswaarde

Grenswaarde is een woord met diverse betekenissen.
Ik voeg er een aan toe.
In de algebra is een grenswaarde een standvastige waarde, waartoe een veranderlijke waarde zo dicht mogelijk kan naderen, maar waaraan ze nooit gelijk kan worden.
Als kind was ik gefascineerd door de extreem onwiskundige stelling dat je geen getal kon bedenken dat het laatste was voor de nul, je kon achter de komma immers altijd iets toevoegen. Het betekende dat een deur nooit helemaal dicht kon zijn, ook als ze helemaal dicht was.
In de economie is een grenswaarde de subjectieve waarde van enig goed, bepaald door het hoogste nut in verband met de beschikbare hoeveelheid.
Dat is evident: in onze maatschappij is een sinaasappel een banaliteit, maar in de Sovjetunie was een sinaasappel een absolute zeldzaamheid. De grenswaarde van de sinaasappel was dus veel hoger.
Ik voeg er een poëtische betekenis aan toe. Er is een kern die je kunt benaderen, maar nooit raken. Zonder die kern is er geen benadering. Zonder benadering is er geen poëzie. De kern heet grenswaarde. Zij bepaalt je blik. Wie een gedicht leest, komt in de buurt van de grenswaarde. De grenswaarde is iets heiligs. Ze bepaalt de koers van je leven, ze kan de koers ook veranderen.
Dit komt overeen met een uitspraak van een van de grootste schrijvers van ons continent, de homo poeticus Danilo Kis. Zijn raad aan een auteur: ‘Geloof niet in statistieken, in cijfers, in officiële uitspraken: de werkelijkheid is wat je met het blote oog niet ziet.’

dinsdag 22 april 2008

Gelezen bij Danilo Kis

Het schrijven: 'dat is immers niets anders dan een gematerialiseerd leven, een kleine, treurige, onbenullige menselijke overwinning op het grote, eeuwige, goddelijke Niet. Of misschien zullen tenminste mijn waanzin en mijn droom blijven bestaan. En al wat de dood overleeft is een kleine onbenullige overwinning op de eeuwigheid van het Niet.'


vrijdag 18 april 2008

Over reislust en verliefde nostalgie

Het aarzelende begin van het voorjaar dat de winter doorprikt met die al zo vaak ervaren hoop.
Het moment om af te reizen.
De schuine aarde verwijdert zich.
Je bevindt je niet langer in de ruimte maar in de tijd.
Slapen, in de ban van de beelden.
Het moment om weg te gaan.
Reizen zorgt voor gewaarwordingen die maken dat je jezelf ontstijgt.
Je zit op het dak van de wereld.
Alles lijkt erop te wijzen dat de wereld zojuist geboren is.
De aardkorst lijkt te schommelen.
Ochtendlijke uren waarin het bewustzijn broos is, nooit word je wakker zonder je bewust te zijn van het contrast tussen de manier waarop je je nachten in angst en je dagen in euforie doorbrengt.
Als je wakker wordt is het of er een hardnekkige illusie aan diggelen gaat, of er een vreselijke waarheid wordt onthuld.

Gelezen bij Tadeusz Kantor

In mijn Donker Hol
(zoals ik mijn atelier noem),
in mijn Arme Kamer van de Verbeelding
doe ik onophoudelijk bekentenissen.
Schaamteloos.
Wat een Theater!

donderdag 17 april 2008

Gelezen bij Piet de Moor

In Hotel Silesia: een citaat van Joseph Roth, de koele minnaar van de Oostenrijkse Dubbelmonarchie:
Mijn oude heimat, de monarchie, was een groot huis met vele deuren en vele kamers, voor verschillende soorten mensen. Het huis werd opgedeeld, gespleten, vernield. Ik heb er niets meer te zoeken. Ik ben gewoon in een huis te leven, niet in cabines.

woensdag 16 april 2008

Vaarwel meester

Mijn demente moeder is jarig. Ze schrikt als ik het haar zeg. Weet je nog dit, weet je nog dat? Nee. ‘Ze kijken naar ons’, zegt ze, terwijl er niemand in het snelbuffet van het rusthuis is. Ze breit kromme zinnen en wil weten wat ik ervan vind. Ik zeg ‘ja’, en ‘het is niet erg’. Dat stelt haar gerust. Mijn zoon eet een ijsje. ‘Oooh’, zegt ze, en ‘pas op’. Later gaan zoon en ik winkelen. We willen bommen kopen, van die irritante leuke stinkerds die vuur spuwen en rook uitbraken. Terwijl ik betaal, zegt de radio dat Hugo Claus dood is. Een bom slaat in. Ik had die ochtend nog gedacht: hoe is het als je wakker wordt en je kunt de klok niet meer lezen? Zo was het Claus vergaan. Mijn moeder gaf Claus koffie, croque monsieurs en Rodenbach met grenadine, toen zij de artiestenfoyer van het NTG dreef en Claus daar geregeld over de vloer kwam. Zij bewaarde de champagnefles van het theater voor het geval Claus de Nobelprijs zou krijgen, want directeur Hugo van den Berghe was een intimus van Claus. Ik lees Claus voor de duizendste keer: dat mooie boek met ruitjespapier op het omslag en Claus’ handgeschreven titel: Gedichten. Ik was zestien en een fanatieke, inhalige christen op blote voeten en met een kruis van Taizé op mijn borst. De romige, rancuneuze pater die Grieks doceerde (en me stiekem aanbeval bij het priesterseminarie) stuurde me naar een academie voor voordrachtles. Die les werd gegeven door een schriele advocaat-in-spe met lang haar en een baard (hij had iets van Zeffirelli’s Jezus). Hij viste een glossy magazine uit zijn boekentas. ‘Ken je dit?’ vroeg hij. Het graf van Pernath stond erin, nog voor het in een boek was verschenen. Pernath was toen twee jaar dood. Claus? Zei me iets, niets dus. Pernath? Nooit van gehoord. Ik las het lange gedicht in één keer en leerde het uit het hoofd. Ik heb het mijn Griekse pater nooit durven zeggen, maar dankzij hem ben ik van de wulpse Claus gaan houden en ben ik van het geloof afgevallen. Exit de laatste seminarist. Claus’ woorden hypnotiseerden me: Met geknakte broekspijpen, uitgezakt, alsof je zat op een ijsvlak was geslipt, alsof je voor je laatste dans nog was geflipt? Nee, intact wil ik je… wrak. Ik hield Claus staande in de foyer van het NTG en vroeg of hij mijn gedichten wilde lezen. Jaren later, toen ik in het NTG ging werken als assistent-dramaturg, regisseerde Claus er Blindeman, zijn Oedipus-bewerking. We zaten in de koude, stinkende zaal van de Gentse Cercle Artistique, waar men enkele dagen eerder de ratten had verjaagd. Ik rookte een pakje sigaretten per dag, Claus een veelvoud daarvan. Maar ik rookte menthol. Hij stal er af en toe een uit mijn pakje, terwijl hij schalks lachte. Hij had last van wintertenen, zei hij. Soms danste hij. Soms vertelde hij een mop in het Gents. We praatten over de Russische dichter Majakovski, die in zalen zo groot als voetbalstadions optrad en over Jevtoesjenko, met wie Claus kort tevoren was opgetreden in Vorst Nationaal op een van de legendarische Nachten van de Poëzie van enfant terrible Guido Lauwaert, met wie ik kerstkalkoenen had geplukt en retsina gedronken in zijn Theater de Bron. Claus kwam daar vaak met Freddy de Vree, voor wie ik later radioprogramma’s zou maken over… Majakovski. De dingen beschreven een cirkel. Het waren heerlijke, arrogante, goddeloze tijden. Claus had in mijn ogen een goddelijke status. Later, mijn jongetje, word je een man had Claus geschreven voor zijn zoon Thomas, die even oud is als ik. Toen ik eindelijk man werd - heel laat -, pleegde ik vadermoord. Claus was een blagueur, een praatjesmaker, een over het paard getilde provinciaal (maar ik hoopte wel dat hij de Nobelprijs zou krijgen). Claus had niets goeds geschreven (maar ik las, als het schrijven niet wilde lukken, stiekem de Oostakkerse gedichten), Claus was eigenlijk allang dood, als schrijver (maar als hij op de televisie, die toen nog aandacht had voor literatuur, verscheen, was ik aan het scherm gekluisterd). Liefde-haat, zo heet dat. Ik wist dat ik geen woord kon schrijven zonder aan zijn kritische blik te denken. Ik wist dat ik nooit zo van mijn taal had gehouden als hij me niet had geleerd wat je ermee kunt doen. En dan zijn grollen! In een restaurant na de vertoning van een voorstelling die ik had geregisseerd in het Antwerpse conservatorium. Claus’ Sonnetten waren op muziek gezet door Koen de Jonghe. Ik nam het gesproken deel voor mijn rekening. Toen de componist om een autogram vroeg, keek Claus naar de partituur, vertrok hij zijn gezicht en vroeg hij de componist, omdat hij naar eigen zeggen ‘van de solfège geen jota snapte’, waar de laatste noot stond. De componist wees het hem. Claus pakte zijn pen en schreef: Eindelijk! Van harte, uw H. C. Niemand deed het hem na. Iedereen lachte. Hij schudde zijn land wakker, hij hield zijn volk een spiegel voor en het volk werd boos, maar je moet, zoals Gogol zei, de spiegel niet uitschelden als je een scheve tronie hebt.
Op een stille nacht na een wilde avond op het Balkanfestival in Bozar lees ik, herlees ik Claus: zijn gedichten, altijd weer zijn gedichten, en dan groet ik hem een laatste keer: afscheidsritueel in de Bourla. Het katholieke ritueel is me, als elke Vlaming, erg vertrouwd, maar dit bewijst op een bevrijdende manier dat het ook anders kan. Ik geloof geen fluit, zegt Claus. Ik ben een atheïstische, religieuze agnosticus. God is Onzin. Alle dieren zijn broeders. Ik weet dat Claus lacht, achter zijn glas Johnny Walker, met de kardinaal, die te beroerd is om zijn naam te noemen in zijn homilie. Als hij ooit paus wordt, zal hij Claus prompt on-heilig verklaren en een plaats in de hel toewijzen. Ik verdiep me in uitvindingen: toen de Kerk niet wist wat te doen met de Griekse filosofen, vroeg de paus aan Dante om het vagevuur uit te vinden. Finita la commedia. Om vijf uur is het koud en donker in Vlaanderen. Iedereen heeft wintertenen. Ik verlang naar een menthol. Vaarwel, meester.

Blogarchief

Over mij

Mijn foto
Belgium
auteur van fictie, non-fictie, poëzie en toneel. Recentste publicaties: -De historische roman BLOEDGETUIGEN (de Bezige Bij), inmiddels aan een 3de druk toe, genomineerd voor de Gouden Boekenuil en bekroond met de Cutting Edge Award en de Halewijnprijs. -Gaius (1ste deel van trilogie Het Vloekhout) (De Bezige Bij) -Jevgeni (2de deel van trilogie Het Vloekhout) (De Bezige Bij) -Oktober (liefdesroman ten tijde van de Russische Revolutie) (Lannoo)