Zie ook: www.johandeboose.wix.com/johandeboose

zondag 27 april 2008

Catastrofisme

Op een toneel dat ijzige kou suggereert, verschijnen drie naakte figuren. Ze bewegen zich in een bevroren, agnostische wereld: de ijstijd lang na de laatste opwarming van de aarde, de ultieme fase van de aardglobe, daarna dooft de zon en zal het weer miljoenen millennia duren voor een amfibie hersens krijgt en stelsels groeien onder een andere brandende ster. Op het toneel staan de laatste mensen. Of de eerste. Ze houden zich bezig met charade, een kinderlijk spel waarbij iemand iets uitbeeldt en een ander moet raden wie of wat het is. Lompen en doden staan op en spreken voor een lege wereld. Ik word op tijd wakker, en een van Szymborska’s recentste gedichten (‘De afschuwelijke droom van een dichter’) schiet door mijn hoofd: ‘Geef toe, dat niets ergers / een dichter kan overkomen. / Waarna er niets beters op zit / dan snel wakker te worden.’ Waarom, goede mevrouw Szymborska, komt zo’n droom dan telkens terug? Sommige mensen behouden de hang naar catastrofisme uit hun jeugd, ook als ze zichtbaar en onherroepelijk ouder worden. De ruïne van het paradijs is aantrekkelijker dan het paradijs. Flaubert: Le bonheur se raconte mal.

zaterdag 26 april 2008

Ik vraag aan de Palestijnse dichter Nazjwan Darwisj, met wie ik voor een Belgisch-Palestijns uitwisselingsproject een tijdlang optrek, welk soort poëzie hij schrijft. We lopen in een drukke Parijse straat. Hij laat me zijn eigen poëziekrant zien, bladzij voor bladzij, van achteren naar voren, helemaal in het Arabisch, dat ik niet kan lezen. We lopen door rood. ‘Bestaan er dan verschillende soorten poëzie?’ antwoordt hij. Ik dacht dat hij op alle slakken zout wilde leggen, omdat hij alles altijd tot in de kleinste details wil kennen, maar nu gedraag ik me alsof ik een kei wil schillen. Zijn vraag houdt me wekenlang in de ban.
Later: ik begin te geloven dat Nazjwan Darwisj gelijk heeft als hij zegt dat er maar één soort poëzie bestaat. Na het lezen van de poetica’s van Eliot, Van Ostaijen, Paz, Milosz, Kis, Heaney… raak ik er meer en meer van overtuigd. Maar het aantal dichters daarentegen is onnoemelijk. Poëzie is wat overblijft nadat je alles hebt weggegooid. Wie poëzie niet kan appreciëren, heeft nooit iets weggegooid. Wie de kunst en de pijn van het weggooien kent, is loslopend wild voor de godin van de poëzie.

donderdag 24 april 2008

Grenswaarde

Grenswaarde is een woord met diverse betekenissen.
Ik voeg er een aan toe.
In de algebra is een grenswaarde een standvastige waarde, waartoe een veranderlijke waarde zo dicht mogelijk kan naderen, maar waaraan ze nooit gelijk kan worden.
Als kind was ik gefascineerd door de extreem onwiskundige stelling dat je geen getal kon bedenken dat het laatste was voor de nul, je kon achter de komma immers altijd iets toevoegen. Het betekende dat een deur nooit helemaal dicht kon zijn, ook als ze helemaal dicht was.
In de economie is een grenswaarde de subjectieve waarde van enig goed, bepaald door het hoogste nut in verband met de beschikbare hoeveelheid.
Dat is evident: in onze maatschappij is een sinaasappel een banaliteit, maar in de Sovjetunie was een sinaasappel een absolute zeldzaamheid. De grenswaarde van de sinaasappel was dus veel hoger.
Ik voeg er een poëtische betekenis aan toe. Er is een kern die je kunt benaderen, maar nooit raken. Zonder die kern is er geen benadering. Zonder benadering is er geen poëzie. De kern heet grenswaarde. Zij bepaalt je blik. Wie een gedicht leest, komt in de buurt van de grenswaarde. De grenswaarde is iets heiligs. Ze bepaalt de koers van je leven, ze kan de koers ook veranderen.
Dit komt overeen met een uitspraak van een van de grootste schrijvers van ons continent, de homo poeticus Danilo Kis. Zijn raad aan een auteur: ‘Geloof niet in statistieken, in cijfers, in officiële uitspraken: de werkelijkheid is wat je met het blote oog niet ziet.’

dinsdag 22 april 2008

Gelezen bij Danilo Kis

Het schrijven: 'dat is immers niets anders dan een gematerialiseerd leven, een kleine, treurige, onbenullige menselijke overwinning op het grote, eeuwige, goddelijke Niet. Of misschien zullen tenminste mijn waanzin en mijn droom blijven bestaan. En al wat de dood overleeft is een kleine onbenullige overwinning op de eeuwigheid van het Niet.'


vrijdag 18 april 2008

Over reislust en verliefde nostalgie

Het aarzelende begin van het voorjaar dat de winter doorprikt met die al zo vaak ervaren hoop.
Het moment om af te reizen.
De schuine aarde verwijdert zich.
Je bevindt je niet langer in de ruimte maar in de tijd.
Slapen, in de ban van de beelden.
Het moment om weg te gaan.
Reizen zorgt voor gewaarwordingen die maken dat je jezelf ontstijgt.
Je zit op het dak van de wereld.
Alles lijkt erop te wijzen dat de wereld zojuist geboren is.
De aardkorst lijkt te schommelen.
Ochtendlijke uren waarin het bewustzijn broos is, nooit word je wakker zonder je bewust te zijn van het contrast tussen de manier waarop je je nachten in angst en je dagen in euforie doorbrengt.
Als je wakker wordt is het of er een hardnekkige illusie aan diggelen gaat, of er een vreselijke waarheid wordt onthuld.

Gelezen bij Tadeusz Kantor

In mijn Donker Hol
(zoals ik mijn atelier noem),
in mijn Arme Kamer van de Verbeelding
doe ik onophoudelijk bekentenissen.
Schaamteloos.
Wat een Theater!

donderdag 17 april 2008

Gelezen bij Piet de Moor

In Hotel Silesia: een citaat van Joseph Roth, de koele minnaar van de Oostenrijkse Dubbelmonarchie:
Mijn oude heimat, de monarchie, was een groot huis met vele deuren en vele kamers, voor verschillende soorten mensen. Het huis werd opgedeeld, gespleten, vernield. Ik heb er niets meer te zoeken. Ik ben gewoon in een huis te leven, niet in cabines.

woensdag 16 april 2008

Vaarwel meester

Mijn demente moeder is jarig. Ze schrikt als ik het haar zeg. Weet je nog dit, weet je nog dat? Nee. ‘Ze kijken naar ons’, zegt ze, terwijl er niemand in het snelbuffet van het rusthuis is. Ze breit kromme zinnen en wil weten wat ik ervan vind. Ik zeg ‘ja’, en ‘het is niet erg’. Dat stelt haar gerust. Mijn zoon eet een ijsje. ‘Oooh’, zegt ze, en ‘pas op’. Later gaan zoon en ik winkelen. We willen bommen kopen, van die irritante leuke stinkerds die vuur spuwen en rook uitbraken. Terwijl ik betaal, zegt de radio dat Hugo Claus dood is. Een bom slaat in. Ik had die ochtend nog gedacht: hoe is het als je wakker wordt en je kunt de klok niet meer lezen? Zo was het Claus vergaan. Mijn moeder gaf Claus koffie, croque monsieurs en Rodenbach met grenadine, toen zij de artiestenfoyer van het NTG dreef en Claus daar geregeld over de vloer kwam. Zij bewaarde de champagnefles van het theater voor het geval Claus de Nobelprijs zou krijgen, want directeur Hugo van den Berghe was een intimus van Claus. Ik lees Claus voor de duizendste keer: dat mooie boek met ruitjespapier op het omslag en Claus’ handgeschreven titel: Gedichten. Ik was zestien en een fanatieke, inhalige christen op blote voeten en met een kruis van Taizé op mijn borst. De romige, rancuneuze pater die Grieks doceerde (en me stiekem aanbeval bij het priesterseminarie) stuurde me naar een academie voor voordrachtles. Die les werd gegeven door een schriele advocaat-in-spe met lang haar en een baard (hij had iets van Zeffirelli’s Jezus). Hij viste een glossy magazine uit zijn boekentas. ‘Ken je dit?’ vroeg hij. Het graf van Pernath stond erin, nog voor het in een boek was verschenen. Pernath was toen twee jaar dood. Claus? Zei me iets, niets dus. Pernath? Nooit van gehoord. Ik las het lange gedicht in één keer en leerde het uit het hoofd. Ik heb het mijn Griekse pater nooit durven zeggen, maar dankzij hem ben ik van de wulpse Claus gaan houden en ben ik van het geloof afgevallen. Exit de laatste seminarist. Claus’ woorden hypnotiseerden me: Met geknakte broekspijpen, uitgezakt, alsof je zat op een ijsvlak was geslipt, alsof je voor je laatste dans nog was geflipt? Nee, intact wil ik je… wrak. Ik hield Claus staande in de foyer van het NTG en vroeg of hij mijn gedichten wilde lezen. Jaren later, toen ik in het NTG ging werken als assistent-dramaturg, regisseerde Claus er Blindeman, zijn Oedipus-bewerking. We zaten in de koude, stinkende zaal van de Gentse Cercle Artistique, waar men enkele dagen eerder de ratten had verjaagd. Ik rookte een pakje sigaretten per dag, Claus een veelvoud daarvan. Maar ik rookte menthol. Hij stal er af en toe een uit mijn pakje, terwijl hij schalks lachte. Hij had last van wintertenen, zei hij. Soms danste hij. Soms vertelde hij een mop in het Gents. We praatten over de Russische dichter Majakovski, die in zalen zo groot als voetbalstadions optrad en over Jevtoesjenko, met wie Claus kort tevoren was opgetreden in Vorst Nationaal op een van de legendarische Nachten van de Poëzie van enfant terrible Guido Lauwaert, met wie ik kerstkalkoenen had geplukt en retsina gedronken in zijn Theater de Bron. Claus kwam daar vaak met Freddy de Vree, voor wie ik later radioprogramma’s zou maken over… Majakovski. De dingen beschreven een cirkel. Het waren heerlijke, arrogante, goddeloze tijden. Claus had in mijn ogen een goddelijke status. Later, mijn jongetje, word je een man had Claus geschreven voor zijn zoon Thomas, die even oud is als ik. Toen ik eindelijk man werd - heel laat -, pleegde ik vadermoord. Claus was een blagueur, een praatjesmaker, een over het paard getilde provinciaal (maar ik hoopte wel dat hij de Nobelprijs zou krijgen). Claus had niets goeds geschreven (maar ik las, als het schrijven niet wilde lukken, stiekem de Oostakkerse gedichten), Claus was eigenlijk allang dood, als schrijver (maar als hij op de televisie, die toen nog aandacht had voor literatuur, verscheen, was ik aan het scherm gekluisterd). Liefde-haat, zo heet dat. Ik wist dat ik geen woord kon schrijven zonder aan zijn kritische blik te denken. Ik wist dat ik nooit zo van mijn taal had gehouden als hij me niet had geleerd wat je ermee kunt doen. En dan zijn grollen! In een restaurant na de vertoning van een voorstelling die ik had geregisseerd in het Antwerpse conservatorium. Claus’ Sonnetten waren op muziek gezet door Koen de Jonghe. Ik nam het gesproken deel voor mijn rekening. Toen de componist om een autogram vroeg, keek Claus naar de partituur, vertrok hij zijn gezicht en vroeg hij de componist, omdat hij naar eigen zeggen ‘van de solfège geen jota snapte’, waar de laatste noot stond. De componist wees het hem. Claus pakte zijn pen en schreef: Eindelijk! Van harte, uw H. C. Niemand deed het hem na. Iedereen lachte. Hij schudde zijn land wakker, hij hield zijn volk een spiegel voor en het volk werd boos, maar je moet, zoals Gogol zei, de spiegel niet uitschelden als je een scheve tronie hebt.
Op een stille nacht na een wilde avond op het Balkanfestival in Bozar lees ik, herlees ik Claus: zijn gedichten, altijd weer zijn gedichten, en dan groet ik hem een laatste keer: afscheidsritueel in de Bourla. Het katholieke ritueel is me, als elke Vlaming, erg vertrouwd, maar dit bewijst op een bevrijdende manier dat het ook anders kan. Ik geloof geen fluit, zegt Claus. Ik ben een atheïstische, religieuze agnosticus. God is Onzin. Alle dieren zijn broeders. Ik weet dat Claus lacht, achter zijn glas Johnny Walker, met de kardinaal, die te beroerd is om zijn naam te noemen in zijn homilie. Als hij ooit paus wordt, zal hij Claus prompt on-heilig verklaren en een plaats in de hel toewijzen. Ik verdiep me in uitvindingen: toen de Kerk niet wist wat te doen met de Griekse filosofen, vroeg de paus aan Dante om het vagevuur uit te vinden. Finita la commedia. Om vijf uur is het koud en donker in Vlaanderen. Iedereen heeft wintertenen. Ik verlang naar een menthol. Vaarwel, meester.

Over mij

Mijn foto
Belgium
auteur van fictie, non-fictie, poëzie en toneel. Recentste publicaties: -De historische roman BLOEDGETUIGEN (de Bezige Bij), inmiddels aan een 3de druk toe, genomineerd voor de Gouden Boekenuil en bekroond met de Cutting Edge Award en de Halewijnprijs. -Gaius (1ste deel van trilogie Het Vloekhout) (De Bezige Bij) -Jevgeni (2de deel van trilogie Het Vloekhout) (De Bezige Bij) -Oktober (liefdesroman ten tijde van de Russische Revolutie) (Lannoo)