Zie ook: www.johandeboose.wix.com/johandeboose

zondag 11 september 2011

Wijsheden van Marguérite Yourcenar

Wie zou zo dwaas zijn te sterven zonder althans zijn gevangenis te hebben verkend?

vrijdag 26 augustus 2011

Stasiuk over Albanië

Andrzej Stasiuk over Albanië: 'Ja, iedereen zou daarheen moeten. Of tenminste de mensen die de naam "Europa" gebruiken. Het zou een initiatierite moeten zijn, aangezien Albanië het onderbewuste van dit continent is. Ja, Albanië, het Europese "Es", het is de angst die 's nachts het slapende Parijs, Londen en Frankfurt am Main bezoekt. Het is de donkere put, in de diepte waarvan diegenen een blik zouden moeten werpen die vinden dat de loop der dingen voor en voor altijd vast ligt.'

donderdag 25 augustus 2011

Citaat van Andrzej Stasiuk

‘Ja, het is alleen de angst, de zoektochten, de sporen, de verhalen die de onbereikbare lijn van de horizon moeten afschermen. Opnieuw is het nacht en alles verwijdert zich, verdwijnt, bedekt door een zwarte hemel. Ik ben alleen en ik moet me gebeurtenissen in gedachten roepen, omdat de angst voor de oneindigheid mij overvalt. De ziel lost als een druppel in de diepte van de oceaan op in de ruimte en ik ben te laf om daarin te geloven, te oud om me bij het verlies neer te leggen en ik geloof dat alleen het zichtbare vertroosting kan bieden, dat alleen in het lichaam van de wereld mijn lichaam bescherming zal vinden. Ik zou begraven willen worden in al die plaatsen waar ik ben geweest en waar ik nog zal komen.’ Andrzej Stasiuk

Emil Cioran in Geschiedenis en utopie

‘Ik wil de Balkanvolkeren niet verdedigen, maar ik wil ook hun verdiensten niet verzwijgen. Die verheerlijking van de verwoesting, van de innerlijke wanorde, van een wereld die veel weg heeft van een bordeel in vlammen, die sardonische blik op volbrachte of toekomstige cataclysmen, die zuurheid, dat zalige nietsdoen van aan slapeloosheid lijdende mensen of moordenaars. De enige primitieven in Europa geven haar misschien een prikkel en zij zal dat onmiskenbaar opvatten als een ultieme vernedering. Want als het zuidoosten uitsluitend monstruositeit zou zijn, waarom krijg je dan bij het verlaten ervan en het hierheen richten van je schreden het gevoel van een, zij het heerlijke, val in het luchtledige.’ Emil Cioran in Geschiedenis en utopie.

Uit: Spottende verlangens van Drago Jancar

‘Hij voorvoelde en wist het tegelijkertijd: hier is het echte vaderland van de melancholische, spottende demonen. Hier te midden van de alpendalen en nog wat verderop, op de laagvlakte van Pannonië. Ze zitten in de wind en in de lucht, je kunt je er niet voor verstoppen. Ze zitten in de meren en tussen de heuvels, in de boomkruinen en in de veenmoerassen, in de rotsachtige bergen, ze zitten in dorpskroegen en op de op zondag verlaten straten van de stad, in de kinderen, in de echtgenoten en in de oude mannen. Hier is iedereen doordrenkt van de dood. Hier heeft de dood de gedaante van een mooi landschap, soms is hij herfstachtig en kil, soms lenteachtig en warm. In de herfst is hij gotisch, in de lente barok. Als kerken door het hele land verspreid, zo dicht op elkaar als graven. Hier houden de mensen van met bloemen, kaarsen en engelen versierde graven. Op zondagmiddag, als door de straten van de ontvolkte steden vreemdelingen of hier voorgoed gevestigde nieuwkomers zich verbazend over de leegte van de straten slenteren, op zo’n zondagmiddag misstaat de gedachte niet aan een man die op de derde verdieping, waar alle ramen gesloten zijn, een raam openzet en zich met een touw om zijn nek naar beneden stort.’ Drago Jancar, Spottende verlangens (Sloveense novelle uit 1993)

woensdag 24 augustus 2011

Wijsheid van Amin Maalouf

'In deze eeuw zullen we moeten kiezen tussen 2 toekomstbeelden.

Het eerste is dat van een mensheid die is verdeeld in planetaire stammen die elkaar bestrijden en haten, maar die zich, als gevolg van de mondialisering, elke dag meer voeden met dezelfde brij waarin geen cultuur van de andere valt te onderscheiden.

Het tweede is dat van een mensheid die zich bewust is van het gezamenlijke lot van alle mensen, en die zich daar schaart achter dezelfde fundamentele waarden, maar ondertussen meer dan ooit de meest uiteenlopende, de meest verrijkende en culturele uitdrukkingsvormen blijft ontwikkelen en al haar talen, kunstzinnige tradities, technieken, opvattingen, geheugen en kennis in stand houdt.

Enerzijds dus verschillende “beschavingen” die met elkaar botsen maar die in cultureel opzicht elkaar nabootsen en zich uniformiseren; anderzijds een enkele menselijke beschaving die zich echter in een onbegrensde diversiteit ontplooit.

Als we de eerste van deze twee wegen willen volgen, hoeven we alleen maar lijdzaam verder af te glijden, zonder ons tegen de schokken te verzetten, zoals we dat nu ook doen. Een keuze voor de tweede weg vergt van ons een nieuw elan – en de vraag is of we daartoe in staat zullen zijn.' Amin Maalouf

Johan de Boose: Wijsheid van Umberto Eco

Johan de Boose: Wijsheid van Umberto Eco

Wijsheid van Umberto Eco

Er zijn magische momenten, van grote lichamelijke vermoeidheid en intense motorische opwinding, waarin visioenen optreden van mensen die men in het verleden heeft gekend. Er bestaan eveneens visioenen van boeken die nog niet geschreven zijn. (Umberto Eco)

Wijsheden van Amin Maalouf

Voor mijn nieuwe boek, dat nog geen titel heeft, ben ik me aan het inlezen. De werktitel is: Eindes. Via mijn blog wil ik de potentiële lezer op de hoogte houden van mijn belangrijkste lectuur. Een van de auteurs die me mateloos inspireert is Amin Maalouf. Ik zet een aantal van zijn uitspraken (afkomstig uit De ontregeling van de wereld) op een rijtje.

> Mijn achterliggende gedachte is dat deze 2 eerbiedwaardige beschavingen (de islamitische wereld en het Westen) hun grenzen hebben bereikt. Dan hun onderhuidse spanningen het enige zijn wat ze de wereld nog te bieden hebben, met alle vernietigende gevolgen vandien. Dat ze moreel gezien failliet zijn zoals overigens geldt voor alle afzonderlijke beschavingen die de mensen nog in groepen opdelen. En dat het moment is aangebroken om hen te overstijgen. Ofwel we zullen er in deze eeuw in slagen om een gemeenschappelijke beschaving tot stand te brengen, waarmee iedereen zich kan identificeren, waarvan dezelfde universele waarden het cement vormen, die wordt voortgedreven door een sterk geloof in de menselijke onderneming en die wordt verrijkt door onze culturele diversiteit in al haar vormen; ofwel we gaan met z’n allen ten onder in een gezamenlijke barbaarsheid.’


> Worden we door iets anders geleid dan door suïcidale wanhoop, de ergste godslastering die er bestaat?


> Over Aziatische samenlevingen/het zuiden: De geschiedenis van deze grote volken laat zien dat ze in staat zijn tot het zelf bedenken van producten: porselein, buskruit, papier, roet, kompas, vaccinatie en de uitvinding van de nul.


> In tegenstelling tot de gangbare opvatting is de fout die de Europese mogendheden eeuwenlang hebben gemaakt niet dat ze hun waarden aan de rest van de wereld hebben willen opleggen, maar precies het omgekeerde: dat ze er steeds van hebben afgezien om in hun betrekkingen met de onderworpenen volken trouw te blijven aan hun eigen waarden. Zolang die dubbelzinnigheid blijft voortbestaan, blijft men de kans lopen in dezelfde fouten te vervallen.


> Ik behoor inderdaad tot die soort die aan het uitsterven is, en ik zal tot aan mijn dood toe weigeren om het normaal te vinden dat er een wereld ontstaat waarin oeroude gemeenschappen, die de hoeders zijn van de oudste menselijke beschavingen, gedwongen zouden worden om te verkassen en het grondgebied van hun voorvaderen te verlaten om hun heil elders te zoeken, ver daarvandaan.


> Voor elke samenleving, en voor de mensheid als geheel, is het lot vd minderheden niet zomaar een vraagstuk; het is, samen met het lot van de vrouwen, een van de betrouwbaarste idicatoren voor morele vooruitgang of achteruitgang. (…) Maar wanneer irritaties over andermans identiteit de boventoon voeren, zoals vandaga de dag het geval is in de overgrote meerderheid van de landen, zowel aan de noordkant van de aardbol als aan de zuidkant, wanneer het elke dag iets moeilijker wordt om ongestoord jezelf te zijn, om vrijuit je taal te spreken of je geloof te belijden, wordt het moeilijk om niet van achteruitgang te spreken.


> …het ontstaan van een wereld waarin identiteitsverschillen belangrijker zijn geworden dan ideologische verschillen…


> Hoeveel zinnige hervormingen zijn er niet mislukt omdat ze werden voorgesteld door een gehate machthebber? En omgekeerd: hoeveel onzinnige hervormingen zijn er niet met gejuich begroet omdat ze het stempel van strijdvaardige legitimiteit droegen?


> Over de VS: Ik moet hierbij denken aan kinderen die een aangeboren ongevoeligheid voor pijn hebben. Daardoor verkeren ze voortdurend in gevaar omdat ze steeds de kans lopen dat ze zich ongemerkt zeer ernstig verwonden. Misschien hebben ze soms een euforisch gevoel van onkwetsbaarheid, maar daardoor kunnen ze zich ook onbezonnen gaan gedragen.


> Het is volstrekt geen schande om rijk te worden, daar ben ik het mee eens. Ik geloof ook dat het volstrekt geen schande is om te genieten van de opbrengst van zelfverworven welvaart. Onze tijd heeft zo veel moois en goeds te bieden dat het een belediging aan het leven zou zijn als we zouden weigeren om daarvan te genieten. Maar dat geld volledig los wordt gezien van iedere vorm van arbeid, iedere lichamelijke of intellectuele inspanning, iedere in maatschappelijk opzicht nuttige activiteit? Dat onze effectenbeurzen veranderen in reusachtige casino’s waar met een dobbelsteen wordt beslist over het lot van honderden miljoenen mensen, of ze nu rijk zijn of arm? Dat onze meest achtenswaardige financiële instellingen zich ten slotte gaan gedragen als dronken schooiers? Dat iemands spaarcenten die met een leven lang hard werken zijn verdiend, in luttele seconden als sneeuw voor de zon kunnen verdwijnen of juist dertig keer zo veel waard kunnen worden, dankzij raadselachtige processen die de bankiers zelf niet eens meer snappen?

Dat is een ernstige situatie waarvan de implicaties tot ver buiten de financiële en de economische wereld te merken zijn. Gelet op datgene wat er gaande is, mogen we ons afvragen waarom mensen nog fatsoenlijk zouden werken om in hun levensonderhoud te voorzien; waarom een jong iemand leraar zou willen worden in plaats van sjacheraar; en hoe we, in zo’n moreel klimaat, nog kennis en idealen moeten doorgeven, hoe we een minimale maatschappelijke structuur in stand moeten houden om te zorgen dat zulke wezenlijke en kwetsbare zaken als vrijheid, democratie, geluk, vooruitgang of beschaving blijven bestaan.

Is het nodig om hieraan met zoveel woorden toe te voegen dat deze financiële ontregeling ook, en misschien wel in de eerste plaats, het symptoom is van een ontregeling van ons waardenstelsel?


> Toen Marx religie bestempelde als “de opium van het volk”, bedoelde hij dat niet minachtend of misprijzend, zoals veel van zijn volgelingen. Het is wellicht niet overbodig om de hele zin van Marx hier te citeren, die als volgt luidt: “Religieuze wanhoop is zowel een uiting van werkelijke wanhoop als een protest tegen die wanhoop. Religie is de zucht van het onderdrukte schepsel, het hart van een harteloze wereld, de ziel van een zielloze wereld. Het is de opium van het volk.” In zijn optiek moest dit “bedrieglijke geluk” worden afgeschaft opdat de mensen hun best zouden doen om een werkelijk geluk te scheppen. Hieruit zouden we, achteraf gezien, redelijkerwijs kunnen afleiden dat als het door Marx beloofde geluk nog bedrieglijker zou blijken te zijn, de volken zouden terugkeren naar hun troostende “opium”. Daarom denk ik dat als Marx had kunnen zien hoe de godsdienst nu opnieuw een centrale plaats in de politieke en maatschappelijke sfeer inneemt, hij het weliswaar met lede ogen zou hebben aangezien, maar niet echt verbaasd zou zijn geweest.’


> …in sommige Amerikaanse scholen leert men dat het universum 6000 jaar geleden is geschapen – in 4004 v.Chr. op 22 oktober om 8 u ’s avonds om precies te zijn – en dat als men ergens op aarde beenderen aantreft die honderdenduizenden jaren oud lijken , dat komt omdat God die op wonderbaarlijke wijze heeft verouderd en daar voor ons heeft neergelegd om ons geloof op de proef te stellen.’


> ‘Ons tijdperk biedt het Westen de kans om zijn morele geloofwaardigheid te herstellen. Niet door berouw te tonen, niet door zich open te stellen voor “al het leed van de wereld”, niet door concessies te doen aan waarden die van elders worden geïmporteerd, maar integendeel door zich eindelijk trouw te tonen aan zijn eigen waarden – het naleven van de democratie en de mensenrechten, toezien op rechtvaardigheid, individuele vrijheid en de scheiding van kerk en staat. In zijn betrekkingen met de rest van de wereld, en vooral in zijn betrekkingen met de vrouwen en de mannen die ervoor hebben gekozen om in het Westen te wonen.’


> Om van het verleden verleden tijd te maken is meer nodig dan wachten tot de tijd verstrijkt.


> Het lijdt geen twijfel of de historische impasse waarin de islamitische wereld zich bevindt, is een van de duidelijkste symptomen van de achteruitgang waar de hele mensheid met een blinddoek voor de ogen op afkoerst. Is het de schuld van de Arabieren, de moslims, en de manier waarop ze hun geloof beleven? Gedeeltelijk wel. Maar ligt het ook niet aan de westerlingen en de manier waarop die al eeuwenlang hun betrekkingen met andere volken hebben aangepakt? Jawel, gedeeltelijk. En zijn de Amerikanen en de Israëli’s daar in de afgelopen decennia niet meer in het bijzonder verantwoordelijk voor geweest? Waarschijnlijk wel. Al die hoofdrolspelers zouden zich radicaal anders moeten gaan gedragen als we een einde willen maken aan een situatie die, uitgaande van het beeld van de open wond die het Nabije Oosten tegenwoordig is, de hele aardbol begint aan te tasten en alle verworvenheden op losse schroeven dreigt te zetten.

Een van de wegen die uitkomst zou kunnen bieden, is dat de Arabische en Joodse diaspora’s niet doorgaan met overal ter wereld het uitputtende en tot niets leidende conflict dat het Nabije Oosten ondermijnt uit te vechten, maar zelf het initiatief tot een heilzame toenadering nemen.

Is het tegenwoordig niet veel makkelijker voor een Arabier en een Jood om elkaar te ontmoeten, rustig met elkaar te praten, samen de maaltijd te gebruiken en vriendschappelijk met elkaar om te gaan, als ze in Parijs, Rome, Glasgow, Barcelona, Chicago, Stockholm, Sao Paulo of Sydney wonen, in plaats van in Beroet, Algiers, Jeruzalem of Alexandrië? Is het niet juist daar, in de wijde wereld waarin hun diaspora’s naast elkaar leven, dat ze naast elkaar zouden kunnen gaan zitten, opnieuw banden zouden kunnen aanknopen en samen zouden kunnen nadenken over een andere toekomst voor de volken in het Nabije Oosten die hun dierbaar zijn?

Dat doen ze al, zal men mij antwoorden. Waarschijnlijk wel, maar nog lang niet zo intensief als dat zou moeten. Ten aanzien van dit cruciale vraagstuk herhaal ik wat ik al eerder heb aangestipt: het gaat er niet om of de Arabieren en de Joden iets meer met elkaar in gesprek gaan dan voorheen, of persoonlijke banden met elkaar aangaan; het gaat erom of ze in staat zullen zijn een zich voortslepend conflict op te lossen, waardoor ze geen leven meer hebben en waardoor de wereld ontregeld raakt.’


> Aangezien de geschiedenis bestaat uit ontelbaar veel afzonderlijke gebeurtenissen, leent ze zich slecht voor generaliserende beschouwingen. Wie toch wil proberen er wijs uit te worden, heeft een grote sleutelbos nodig; en ook al is het billijk dat een onderzoeker die zelf een sleutel heeft gesmeed, die eraan wil hangen, het is niet verstandig om de hele sleutelbos door één enkele sleutel te vervangen, die als een loper op alle deuren zou passen.


> Al duizenden jaren lang ontstaan onze beschavingen, ontwikkelen ze zich en ondergaan ze veranderingen. Ze komen met elkaar in aanraking, ze kanten zich tegen elkaar, ze imiteren elkaar, ze onderscheiden zich van elkaar en laten zich nabootsen om vervolgens langzaam of abrupt te verdwijnen of met elkaar te versmelten. De Romeinse beschaving heeft zich op een gegeven moment bij de Griekse gevoegd; ze hebben elk hun karakter behouden, maar zijn ook een bijzondere synthese aangegaan, die een wezenlijk onderdeel is geworden van de Europese beschaving. Daarna kwam het christendom, dat ontstond binnen een heel andere, voornamelijk joodse beschaving met Egyptische, Mesopotamische en meer in het algemeen Levantijnse invloeden, en dat op zijn beurt een wezenlijk bestanddeel van de westerse beschaving is geworden. Vervolgens kwamen uit Azië de zogeheten barbaarse volken – de Franken, de Alamannen, de Hunnen, de Vandalen, de Goten, alle Germaanse stammen, de Altaïsche volken en de Slaven – die weer met de Latijnen en de Kelten zijn samengegaan om de Europese naties te vormen.

De Arabisch-islamitische beschaving is op dezelfde wijze ontstaan. Toen de Arabische stammen, waaronder die van mijn voorouders, hun woestijnachtige en primitieve schiereiland verlieten, hebben ze zich aangepast aan de beschaving van Perzië, India, Egypte, Rome en Constantinopel. Daarna kwamen de Turkse stammen van de uiterste grenzen van China, waarvan de leiders tot aan de geboorte van mijn eigen vader onze sultans en kaliefen zijn gebleven, om vervolgens te worden onttroond door een vooruitstrevende nationalistische beweging, die haar volk wilde vastklinken aan de beschaving van Europa.

vrijdag 3 juni 2011

Boekenkrant.com schrijft over 'Bloedgetuigen':

Bloedgetuigen leest intens en veeleisend, maar het boek is een bijzondere verrijking. Een vergelijking met Het verdriet van België gaat op, maar ook met De welwillenden van Jonathan Littell. Na Bloedgetuigen ziet Europa er nooit meer hetzelfde uit.

zaterdag 21 mei 2011

Iedereens verdriet (opiniestuk over het amnestiedebat in Vlaanderen, geweigerd door De Standaard)

Iedereens verdriet

In het stuk Antigone, geschreven in de vijfde eeuw v.C., wil de protagoniste haar twee broers die als soldaat zijn gesneuveld, begraven. Koning Creon staat slechts toe dat een van beiden wordt begraven, namelijk de soldaat die zijn land verdedigde. De andere, die zich tegen de staat keerde, moet verstoken blijven van een laatste eerbetoon. Antigone roept liefde in als argument, maar Creon is onvermurwbaar. Het verhaal eindigt in een bloedbad. L’histoire se répète. Na WOII werd de verzetsstrijder verheven tot held, terwijl de collaborerende oostfrontstrijder als een misdadiger werd afgeschilderd. De een mocht geëerd worden, de ander moest daarvan verstoken blijven. De geschiedenis wordt, zoals bekend, geschreven door de overwinnaar. Die schrijft voor wat politiek correct is en wat niet. Hij verzamelt (en verzint desnoods) argumenten om te bewijzen dat de uiteindelijke overwinnaar – hij zelf – het al vanaf het begin bij het rechte eind had. Vaak is dat natuurlijk onzin, want mensen – en zeker politici – zijn opportunisten. Dit gebrek aan nuance, deze systematische geschiedvervalsing was een van de redenen om mijn roman Bloedgetuigen te schrijven. Ik nam geen genoegen met de simpele dualismen zwart-wit, rechts-links, Vlaams-Waals, goed-fout. Ik wilde de nuance zo radicaal mogelijk onderzoeken. In het boek voer ik een collaborerende familie op, samen met twee families aan de andere kant van het front, in Rusland – kwestie van over de hele lijn genuanceerd te blijven. In het Vlaamse gezin is de vader een halfdove, flamingantische, pacifistische beroepsmilitair (ja, die combinatie is mogelijk), die tijdens de oorlog eerst krijgsgevangen wordt gemaakt en later als overijverige controleur bij de voedselinspectie gaat werken. Zoon wil naar het Oostfront, maar pa trakteert hem op een oorvijg. Als zoon oud genoeg is, vertrekt hij toch. Pa ziet het als het noodlottige gevolg van zijn idealistische opvoeding. De jongen sneuvelt in Leningrad, vol van idealen over een nieuw en beter Europa met zelfbeschikking voor het kleine Vlaanderen. Het gezin wordt er zwaar op afgerekend. De gevolgen zijn lang voelbaar. Ik heb elk personage in dit relaas op zo’n manier getekend, dat de lezer op een bepaald moment onvermijdelijk zal denken: in die omstandigheden had ik wellicht hetzelfde gedaan.

Wat mij irriteert in het huidige debat (behalve bij bepaalde opiniemakers zoals Luc Huyse), is dat de amnestie- en collaboratiekwestie automatisch in één adem wordt genoemd met deportatie en Auschwitz. Als het inderdaad zo zou zijn dat iedere collaborateur een fervente jodenhater was die Auschwitz een favorabele zaak vond, zou het debat eenvoudig zijn: misdaad verdient straf. De waarheid is evenwel anders: tussen de echte collaborateur (de fascist), die zich ten dienste stelde van het nazistische uitroeiingsbeleid (en die zijn straf verdient), en de rabiate verzetsstrijder, die zijn land en zijn volk verdedigde tegen de bezetter, ligt een wereld vol nuances, een eindeloos veld van grijswaarden. Het heeft mij ook verbaasd tijdens het schrijven, maar de waarheid is dat talloze mensen gewoon trachtten te overleven, en als ze daarbij al eens iets pro-Duits deden, was dat de normaalste zaak van de wereld, nooddruft: de kinderen moesten te eten krijgen om maar iets te noemen. In het grijze veld vind ik mijn eigen vader terug, die voor zwartzak werd versleten omdat hij als leraar op een middelbare school Nederlands sprak i.p.v. dialect. Dat stonk naar Dietsch! Laten we niet vergeten dat veel mensen (vlak voor WOII en zelfs nog tijdens de eerste fase ervan) dachten dat Duitsland een gidsland was. Dat was niet alleen in België zo. Duitsland stond er economisch beter voor dan de andere landen; er was zelfs een arbeiderstekort. Tal van mensen, vooral in Vlaanderen, zagen in het Germaanse succes een kans om hun Vlaams-nationalisme (geworteld in WOI en de 19de-eeuwse Vlaamse Beweging) te vertalen in een concreet project. Dat project was idealistisch geladen, niet door negatieve slogans (antisemitisme, racisme), maar door het geloof in een nieuw, verenigd, christelijk, antikapitalistisch en anticommunistisch continent. Op talrijke scholen, in kerken, in jeugdbewegingen, in de media, in politieke kringen (van links én rechts) en in de huiskamers (in Vlaanderen én Wallonië) leefde die tendens, veel sterker dan men soms wil aannemen. Het idealisme maakte mensen blind voor de agressieve context, waarin het zich ontwikkelde. Tijdens mijn research voor Bloedgetuigen ben ik gestuit op het boek ‘De nationaal-socialistische arbeidsdienst’, geschreven door P.W. van den Nieuwenhuysen en uitgegeven door Standaard Boekhandel Brussel en Van Stockum ’s Gravenhage. Jaar: 1942. Met imprimatur. De uitgave paste in een reeks die onder leiding stond van o.a. dr. Gaston Eyskens. Het boek is één lofzang op het Duitse economische model. Wie het niet gelooft: zie de bibliotheek van het parlement in de Wetstraat.

Dit voorbeeld illustreert dat er lange tijd zelfs door toonaangevende intellectuelen is gedacht dat Duitsland eerder een model dan een monster was. Nee, het monster, dat was Stalin. Daarin had men overigens overschot van gelijk.

Voor iedereen die in de grijze zone zat (de meesten zijn al dood) en hun nabestaanden (bij wie het thema nog steeds leeft, zelfs bij de jongste generatie) zou een hedendaagse, niet partijpolitiek gebonden en op verzoening gerichte vorm van selectief pardon een zalving zijn. Amnestie klinkt te zeer als: vergeten; en het laatste wat we met de trauma’s uit het verleden moeten doen, is ze vergeten. Pardon klinkt juister, genuanceerder. Vergeven, bv, dat men zijn kinderen probeerde te voeden en nog nooit van Auschwitz had gehoord. Vergeven, bv, dat de snotjongens die naar het oostfront vertrokken in een eerste golf verblind waren door idealisme en in een tweede golf door avonturisme. In Rusland heb ik de verzoeningsgezindheid gezien: in de Petrus- en Paulusvesting van Petersburg staat een Vlaamse beiaard, die dient als ‘pardon’. Ik heb gesproken met Russen die me zeiden: ‘We waren allemaal gek, aan beide kanten. Gek en blind.’

Maar zo’n pardon kan geen alleenstaande beslissing zijn; daarnaast moet de Bevrijding een officiële feestdag worden, zoals in ieder beschaafd land. Vrijheid dient gevierd te worden. En er moeten meer monumenten komen die op een niet-protserige manier eer betuigen aan de gedeporteerden en die de boodschap ‘Nooit meer Auschwitz’ uitdragen. En er moet een debat komen (geen scheldpartij, maar dat is blijkbaar moeilijk in dit land) waarin alle nuances van de geschiedenis worden belicht. Alle. Op die manier zouden wij – Belgen, Vlamingen én Walen – in het reine kunnen komen met ons verleden en zou iedereens verdriet in dezelfde mate kunnen worden verwerkt. Want niemands verdriet mag worden vergeten.


vrijdag 22 april 2011

Meer pers over 'Bloedgetuigen':

Jan van Duppen op deredactie.be (nieuwswebsite VRT)

Geen boek in het Nederlands is mij bekend dat een dergelijke literaire en intellectuele uitdaging vormt voor een lezer, dat het complete pandemonium van de XXste eeuw en wat eraan voorafging zo indringend weet te slijpen. (...) Verbijsterende eruditie. Teder inlevingsvermogen. Schitterende filosofische lessen, rake metaforen en gierende anekdotes.

woensdag 13 april 2011

DE PERS OVER BLOEDGETUIGEN

Joost de Vries in De Groene Amsterdammer

‘Bloedgetuigen’ heeft een dynamische hectiek die helemaal past bij de veelkoppige revolutie in het hart van de twintigste eeuw. (…) De geschiedenis vormt ons onherroepelijk, maar uiteindelijk waken we toch zelf over onze ziel. Eigenlijk doet De Boose dat wel heel mooi, heel invoelend, en laat hij zien hoe geweldig je fictie kunt inzetten in ideeëngeschiedenis.

*

Ewoud Kieft in NRC Handelsblad

De Booses schrijfstijl past in de verhalende traditie van de grote Russische romans, inclusief de bijbehorende filosofische discussies waarin hij de personages naar hartelust laat refereren aan Poesjkin, Dostojevski en Tsjechov. (…) ‘Bloedgetuigen’ bevat zoveel schitterends dat alle inspanning wordt beloond. (…) Een sprookjesachtige kroniek. (…) Wat op filosofisch vlak een open deur is, krijgt in de roman beklemmende contouren. ‘Bloedgetuigen’ vertelt ons iets wat we eigenlijk niet willen weten. (…) De talrijke veldslagen, massagraven en fysieke martelingen komen geregeld akelig dichtbij, vooral omdat de auteur goed doseert. (…) De eindes van alle drie de verhaallijnen laat de auteur prachtig op hun plek vallen. (…) Hoe taai deze roman bij tijd en wijlen ook is, voor zo’n veelomvattende, historisch onderlegde én gedurfde reis door de afgronden van de 20ste eeuw mag de lezer ook best wat moeite doen.

*

Kris Humbeeck in Gazet van Antwerpen

‘Bloedgetuigen’ is een dikke pil die alles heeft om een Vlaamse modern classic te worden. (…) Een pakkend en ontluisterend relaas. (…) JdB is een geboren verhalenmaker die erin slaagt de details van de grote geschiedenis te doen spreken. Eindelijk weer eens een Vlaamse romanschrijver die hoogst plezierig kan vertellen over de meest onplezierige dingen.

*

Frank Hellemans in Knack

Een wervelende parabel over de duivelse vernietigingskracht van ideologische scherpslijpers.

*

Gilbert Roox in De Standaard

JdB levert met ‘Bloedgetuigen’ zijn meesterproef als romancier af. (…) Een bijwijlen meesterlijk historisch panorama. (…) Zelden heeft een Vlaamse roman zoveel ambitie.

*

Jaap Goedgebuure in Het Financieele Dagblad

Geregeld blinken de verhalende episoden uit door een visionaire kracht die je aan je stoel gekluisterd houdt.

*

Walter Pauli in De Morgen

Alles aan deze uitgave ademt ambitie. (…) Magistraal geheel. (…) Een uitzonderlijk boek, uitzonderlijk complex van structuur, uitzonderlijk taalgebruik. (…) Hoe walgelijk, hoe gruwelijk, hoe pakkend of hoe ernstig de feiten ook zijn, De Boose verwoordt die per definitie in een nog exuberanter beeld.

vrijdag 25 maart 2011

Op www.johandeboose.be kunt u lezen wat Kris Humbeeck (hoogleraar Moderne Nederlandse literatuur & Algemene literatuurwetenschap en directeur van het Louis-Paul Boon Documentatiecentrum) heeft geschreven over de roman 'Bloedgetuigen'.

zondag 20 maart 2011

Hier kunt u de eerste bladzijden van Bloedgetuigen downloaden.
Het boek verschijnt officieel op woensdag 23 maart 2011.
Presentatie om 20.30 u. in de St-Pietersabdij Gent (aan het St-Pietersplein) in het bijzijn van Bruno de Wever, Kris van Humbeeck, Rik van Cauwelaert en Dirk Roofthooft.
Reserveren: pers@wpg.be

vrijdag 18 maart 2011

Over het vinden van waarheden (de ontstaansgeschiedenis van de roman BLOEDGETUIGEN)

Bonnie is niet thuis. Bonnie is zelden thuis. Zij verdeelt haar tijd tussen Moskou en Sint-Petersburg. Ik mag in haar Petersburgse flat komen schrijven. Pestelstraat vijf. In de negentiende eeuw schreef Poesjkin hier De bronzen ruiter. Later liet Tolstoj zich bij de barbier beneden coifferen. In de twintigste eeuw woonde Anna Achmatova, Ruslands grootste liefdesdichteres, om de hoek. Ze prijkte tegelijkertijd op het nachtkastje én op de dodenlijst van Stalin. Jaag ik spoken na? Dit is een necropolis, een dodenstad. Zoals een Russische roman.

Pestelstraat vijf: de aristocratische grandeur schuilt achter spinrag, graffiti, sigarettenpeuken. De smeedijzeren liftkooi hangt reddeloos tussen twee etages. In het aquariumachtige hok van de conciërge dommelt een man met vissenogen. Hij heeft vast Poesjkin nog begroet.

Pestelstraat vijf: je kunt er een groot gala houden met steltpotige Russinnen in doorzichtige tricots, en er zou nog ruimte overblijven. In het communistische paradijs woonden hier vijf gezinnen met één wc, één bad en één fornuis. Nu azen vastgoedmakelaars op dit soort woningen om de laatste resten historisch afval eraf te schrapen en ze te verbouwen tot belvedères, bestemd voor oligarchen, het grootkapitaal, Ruslands geilste god. Ze zullen Bonnie met plezier zien opzouten, en in haar kielzog romantici als ik, die geloven in spoken en boeken.

Pestelstraat vijf: ik schrijf er hele hoofdstukken van Bloedgetuigen, sterker nog, vijf van de vierentwintig hoofdstukken spelen zich hier af, vooral tijdens de oorlog, toen Leningrad (zoals Petersburg toen heette) negenhonderd dagen lang werd belegerd en uitgehongerd door Hitler. Ik leef me in alle protagonisten in. Er is de vrouw die ballerina wilde worden, maar door revolutie, dictatuur en oorlog al wat haar dierbaar was verloor. Er is daarnaast de jonge Rus, afkomstig uit een gezin van geassimileerde Joden, wier spoor ik al heb gevolgd op de Krim, in Siberië en in Vladivostok. Ik ontmoet hem op de monumentale kerkhoven van Rusland, waar de namen van Lenin en Stalin nog steeds in één adem worden uitgesproken met de woorden ‘held’ en ‘bevrijding’.

Maar ik weet meer: die Rus hoopte om niet alleen Hitler te verslaan, maar ook de dictatuur in Rusland te breken, en hij betaalde daar na de bevrijding een griezelige boete voor: de goelag.

Dan is er de derde protagonist, afkomstig uit een stad in het onooglijke Vlaanderen uit een familie die tijdens de oorlog geloofde dat Europa uit de crisis kon worden gered, zoals Duitsland, en dat het volk van Breydel en De Coninck zelfbeschikkingsrecht zou krijgen. Ook in hem leef ik me in. Kruip ik in de huid van een personage, of neemt het bezit van me?

Met een terreinvoertuig trek ik naar het poldergebied rond Petersburg, waar de legioenen van de bezetter de stad drie jaar lang in een ijzeren greep hielden. Onder die legioenen: het Vlaamse. Ik weeg de toentertijdse idealen op de hand en verdiep me in de blinde hoop op een wereld zonder plutocratie, goddeloosheid, communisme. Ik rijd naar het dorp Krasny Bor. Na de Duitse nederlaag in Stalingrad in februari 1943 vormde de slag bij Krasny Bor, een maand later, een beslissend keerpunt. Aan Duitse kant vochten enkele honderden Vlamingen, van wie het grootste deel sneuvelde. Ik volg het spoor van een van hen. Ik heb zijn portret in mijn zak. Hij was de koerier die boodschappen overbracht van de ene naar de andere windstreek. In de kruidenierszaak vraag ik aan een jonge vrouw of ze me de weg naar de oorlogskerkhoven kan wijzen. Ze wijst in de richting van de Russische begraafplaatsen. Of ze ook weet waar de Duitse zich bevinden. Een man van middelbare leeftijd neemt me in de arm. Hij stelt me gerust in zijn langzame Russisch, zodat ik elk woord goed kan verstaan. Sergej heet hij, en hij rijdt me voor naar een vlakte buiten het dorp. De winter is pas begonnen, de grond is zompnat. Als kind heeft hij nog gezien hoe hier berkenkruisen stonden voor de gesneuvelde vijanden. Nu is alles weg. Verderop wordt een huizenwijk gebouwd. In het midden van de vlakte staat een orthodox kruis. Zowel God als de Duivel zijn overal. Sergej laat een ring zien die hij hier als kind vond. ‘De oorlog was een hel’, zegt hij, ‘voor iedereen.’ De Russen slaan de zwartste bladzijden van hun geschiedenis het liefst zo snel mogelijk om, maar Sergej wil praten. Hij herhaalt elke zin: ‘Voor iedereen.’ Hij gebruikt de woorden ‘verblinding’ en ‘verzoening’. Hij zegt: ‘We waren allemaal even dwaas.’

Ik dwaal uren rond op de vlakte, tracht me die eindeloze maart voor te stellen, leef me in in mensen aan beide kanten van het front. Later vind ik niet zo ver daarvandaan een Duits gedenkteken op een heuvel, bewaakt door een hardhorige Rus. Op die plaats zijn alle stoffelijke resten die in de buurt werden opgegraven samengebracht. In het graniet en in de boeken in het wachthuis staan duizenden namen, onder wie de Vlaming die ik zoek. In het gastenboek schrijf ik: ‘Zoekend naar de waarheid vind ik vele waarheden.’ De hardhorige man knikt. ‘Heb je gevonden wie je zocht?’ Ik knik.

Terug in Bonnies flat leg ik de componenten van mijn verhaal op tafel. Ik loop om al mijn vondsten heen, zodat ik ze van alle kanten kan bekijken. Ze zien er altijd anders uit. De waarheid bestaat niet. De grootste vraag: hoe zou ik hebben gereageerd in dergelijke omstandigheden? Er zijn vele waarheden. Ze spreken elkaar tegen. Ik wil ze een voor een met de grootste zorg behandelen. Ik kijk naar Sergejs ring.

’s Nachts kan ik de slaap niet vatten omdat de personages als spoken door de Pestelstraat lopen. Ik moet denken aan Antigone: zij mocht haar ene broer begraven, maar haar andere niet. De ene was politiek correct, de andere niet meer.

Iedereen moet begraven kunnen worden, denk ik, op een winderige heuvel of in een boek.

BLOEDGETUIGEN

- Op 23 maart 2011 om 20 u. wordt Bloedgetuigen gepresenteerd in de St-Pietersabdij Gent. Kris Humbeeck, Bruno de Wever, Kris van Cauwelaert zullen praten over het boek. Dirk Roofthooft leest fragmenten voor.
- Op 18 april 2011 vindt de Hollandse presentatie van Bloedgetuigen plaats in Spui 25, Amsterdam. Harold Polis zal er praten met Johan de Boose.
- Omdat Bloedgetuigen geselecteerd is voor de Literaire Lente 2011 vinden er in april overal te lande optredens, interviews en presentatiemiddagen plaats. Alle gegevens vindt u op de website www.johandeboose.be en op de website van de Literaire Lente, die vanaf 1 april beschikbaar zal zijn. Die dag verschijnt er ook een bijlage bij De Standaard over de geselecteerde boeken, met o.a. een artikel van Johan de Boose over de ontstaansgeschiedenis van zijn roman in Rusland.

woensdag 12 januari 2011

interview over de roman Bloedgetuigen

Eind maart verschijnt de roman Bloedgetuigen bij De Bezige Bij Antwerpen.

Hieronder kunt u een gesprek lezen dat uitgever Harold Polis had met Johan de Boose in het najaar van 2010. Fragmenten hieruit worden gebruikt in de aankondiging van de roman.

HP: Hoe is Bloedgetuigen ontstaan? Waarom wilde je dit boek schrijven?

JdB: Ik schrijf om iets te begrijpen. De eerste stap is verwondering, nieuwsgierigheid. Vervolgens waag ik de sprong in het duister. In het geval van de roman Bloedgetuigen wilde ik de context van de Vlaamse collaboratie en het Oostfront tijdens de Tweede Wereldoorlog begrijpen. Parallel wilde ik de context van de tegenstander, de Russische soldaat in Stalins Sovjet-Unie, kennen. Daar kwam een derde fascinatie bij, die voor de slachtoffers van de blokkade van Leningrad, die drie jaar heeft geduurd.

Meteen werd het me duidelijk, dat ik deze drie situaties naast elkaar moest plaatsen, met begrip voor alle standpunten. Ten slotte legde ik mijn oor te luisteren bij de Geschiedenis zelf, die gewetenloze hoer, die van alles op de hoogte is en niets ongedaan wil maken. Vier lijnen dus, die zich parallel ontwikkelen. In de muziek noemt men dit polyfonie. Je kunt het ook zien als een diorama: alsof je als lezer uitzicht hebt op de verschillende onderdelen van het oostfrontverhaal, onderdelen die voor de personages zelf onzichtbaar blijven.

HP: Het heeft iets van een toneeldrama of een film.

JdB: Je moet je dit verhaal voorstellen als een enorme buhne met verschillende compartimenten. In elk compartiment speelt zich een bepaalde scène af. In totaal zijn er vierentwintig scènes. In het ene compartiment weet men niet wat er in de andere gebeurt. De toeschouwer evenwel (in dit geval de lezer) ziet ze allemaal tegelijkertijd. Dat wil zeggen: als hij het boek uit heeft, want eerst bekijkt hij natuurlijk één voor één elk compartiment, d.w.z. leest hij elke scène. Op het eind moet hij het gevoel hebben dat hij hoog boven de twintigste eeuw heeft gevlogen, vanwaar hij een panoramisch beeld kreeg, maar dat hij tevens op belangrijke plaatsen is neergestreken om de kleinste details, de kleinste nuances te bekijken.

HP: Is het een historische roman?

JdB: Onder andere. De historische roman begint in 1913 en eindigt in 1989. Maar het is ook een bildungsroman, waarin drie personen en hun omgeving (in totaal zijn er meer dan honderd personages) gevolgd worden tijdens de cruciale ogenblikken van hun leven. Ten slotte is de roman ook een ideeënroman, waarin de belangrijkste ideologieën van de twintigste eeuw, het fascisme en het communisme, op de korrel worden genomen, soms empathisch, soms satirisch. De verhaallijnen, die elkaar kruisen, beantwoorden de volgende vragen: wat doet een mens in bepaalde omstandigheden? Welke keuzes maakt hij? Wat zijn daarvan de gevolgen, ethisch, moreel, maar ook concreet, in het dagelijkse leven van de daaropvolgende decennia en generaties? Wat had er anders kunnen gebeuren?

HP: Je kreeg de Henriette Roland Holstprijs omdat je uiterst genuanceerd over tegenstrijdige situaties schrijft. Nuance speelt blijkbaar opnieuw een grote rol.

JdB: Mensen willen graag geloven dat de wereld zwart-wit is, dat alles duidelijk en helder is. Dat is leefbaarder, makkelijker. We maken een categorie in ons hoofd, b.v. ‘nazi’, ‘communist’, ‘collaborateur’, en daar stoppen we alles in, waarvan we denken dat het er thuishoort, of waarvan we dit gemakshalve zouden willen. Dat is vals. Er is altijd een oneindig aantal nuances. Ik voer in de roman personages op, die extreme keuzes maken, en ik doe dit op zo’n manier, dat de lezer het gevoel krijgt: misschien zou ik hetzelfde hebben gedaan. Soms levert dit een gigantische ethische spanning op. Stel je voor, dat iemand in de trein mijn boek zit te lezen en opeens tegen zijn partner zegt: ‘Die moord zou ik ook hebben kunnen plegen.’ Wat is literatuur anders dan dit? Vervolgens kun je gaan reflecteren. Literatuur verandert namelijk wél iets: niet de wereld, maar de blik van de lezer op de wereld.

HP: Collaboratie en Oostfront blijven heikele thema’s. Hoe ga je daarmee om?

JdB: Ze zijn zo heikel, dat ik heb besloten om erover te schrijven. Je moet over heikele thema’s schrijven. Waarover zou je anders moeten schrijven? Als je dit niet doet, laat je ze over aan mensen die ideologisch gewin willen halen uit geschiedvervalsing of die echt geloven dat je een bepaalde bril moet opzetten om bepaalde onderwerpen te bespreken. Sommige facetten zitten ook in de taboesfeer, b.v.: zou het beter zijn geweest indien Hitler de oorlog had gewonnen? Je moet hierover durven schrijven. Het klinkt misschien pathetisch, maar literatuur, net zoals theater en film, kan de functie van een moreel tribunaal hebben. Dat is geen ouderwetse gedachte, maar een heel progressieve, want de meeste boeken van tegenwoordig durven niet over hun eigen schaduw heen te stappen. Als schrijver moet je radicaal zijn.

HP: Je bent al jaren een verwoed reiziger. Welke rol spelen reizen in de ontstaansgeschiedenis van dit boek?

JdB: Alle plekken die ik beschrijf, heb ik bezocht: in België, Frankrijk, Duitsland, Polen, de Baltische staten, Oekraïne, Rusland, ook in Siberië, en Israël.

Ik heb er gepraat met getuigen, familieleden, nazaten, wetenschappers, kunstenaars, allemaal mensen die nauw met die streek verbonden zijn en hun mening over de geschiedenis en de Tweede Wereldoorlog hebben.

Ik heb hun getuigenissen opgetekend. Zij hebben mij hun gastvrijheid geboden. Ik geloof niet in schrijvers die een verhaal situeren in een dorpje vlak bij Sint-Petersburg, maar hun schrijfkamer nooit hebben verlaten. Je moet de genius loci hebben gevoeld, de fysieke nabijheid van de spoken van de geschiedenis, je moet de geschiedenis geroken hebben, niet alleen in de vorm van drukinkt.

HP: Je bent doctor in de Slavische talen en Oost-Europakunde. Speelt wetenschappelijkheid een rol?

JdB: Niet op een academische manier, nee, gelukkig maar! Dit is geen wetenschappelijk traktaat, maar een verhaal met de nodige suspens en sex-appeal. Maar soms ga ik tijdens het schrijven natuurlijk wel even te werk als een wetenschapper, want je mag geen onzin vertellen. Hoe pathetisch een verhaal ook is, je moet het in koelen bloede schrijven, zelfs b.v. verkrachtingen, en er komen er nogal wat voor, gebaseerd op feiten. Overigens schakel ik voor historisch delicate punten bevriende specialisten in, die mij op koers houden. Maar soms moet je ook alle remmen losgooien. Een wetenschapper mag niet gek zijn, maar een schrijver, die niet gek is, is een ambtenaartje.

HP: Schrijf je ook tijdens het reizen?

JdB: Ik schrijf altijd. Schrijven is een extreem fysieke bezigheid. Schrijven is razende beweging, ook al zit je urenlang stil. Dit boek is geschreven in Rusland, op de Balkan en in Polen, maar ook in mijn boshuis in België, waar het reizen op een andere manier wordt voortgezet, namelijk in mijn hoofd.

HP: Hoeveel traceerbare realiteit zit er in het boek, met name wat betreft de verhalen van ooggetuigen, die je hebt geïnterviewd?

JdB: Laten we zeggen dat wie zichzelf in het boek herkent, slecht gelezen heeft. Ik heb getuigenissen gebruikt zoals de boetseerder klei gebruikt. Wat heeft het kunstwerk te maken met de klei, waaruit het is gemaakt? Alles en niets. Het eindresultaat is een door mijn fantasie eindeloos bewerkte reeks vertellingen. De belangrijkste vraag, die ik me altijd stelde was: hoe zou ik reageren? Op die manier zijn de hoofdpersonages afsplitsingen van mezelf. De drie protagonisten dragen elk een van mijn drie doopnamen.

Blogarchief

Over mij

Mijn foto
Belgium
auteur van fictie, non-fictie, poëzie en toneel. Recentste publicaties: -De historische roman BLOEDGETUIGEN (de Bezige Bij), inmiddels aan een 3de druk toe, genomineerd voor de Gouden Boekenuil en bekroond met de Cutting Edge Award en de Halewijnprijs. -Gaius (1ste deel van trilogie Het Vloekhout) (De Bezige Bij) -Jevgeni (2de deel van trilogie Het Vloekhout) (De Bezige Bij) -Oktober (liefdesroman ten tijde van de Russische Revolutie) (Lannoo)